Nieuw met haken? Hier vind je de belangrijkste haaktermen in gewoon Nederlands.
Let op bij Engelstalige patronen: Amerikaanse en Nederlandse haaktermen verschillen. Een Amerikaanse "single crochet" is bij ons bijvoorbeeld een vaste. Daarom zetten we bij elke term ook de Engelse (Amerikaanse) naam.
De basis
Het staafje met een haakje aan het eind waarmee je de draad door de lussen haalt.
De draad die aan je bol garen vastzit en waarmee je haakt.
Het losse eindje aan het begin van je werk. Dat werk je aan het eind weg.
De lus die op je haaknaald zit voordat je aan een nieuwe steek begint.
Steken
De eenvoudigste steek: je haalt de draad door de lus op je naald. Een rijtje lossen heet een lossenketting.
Een heel platte steek, vaak gebruikt om iets te sluiten of netjes af te werken.
De belangrijkste steek voor Loopies. Bijna je hele knuffel haak je met vasten.
Een steek die iets hoger is dan een vaste.
Een hogere steek, ongeveer twee keer zo hoog als een vaste.
Rond haken
Een verstelbaar lusje waarmee je begint als je rond haakt. Je trekt hem aan het eind strak, zodat er geen gaatje overblijft.
Eén keer helemaal rond. Loopies haak je in toeren, als een spiraal.
Twee vasten in dezelfde steek haken. Zo wordt je werk breder.
Twee steken samen tot één steek haken. Zo wordt je werk smaller, bijvoorbeeld aan de bovenkant van je Loopie.
Een klein clipje dat je in een steek hangt, zodat je weet waar je toer begint.
Elke steek heeft bovenop twee lusjes. Soms haak je alleen in de voorste of alleen in de achterste lus.
Afwerken
Je Loopie opvullen met vulling, zodat hij lekker zacht en stevig wordt.
De draad doorknippen en door de laatste lus trekken, zodat je werk niet meer uitrafelt.
Een dikke naald met een groot oog, om onderdelen vast te naaien en draadjes weg te werken.
Losse eindjes met je stopnaald door je werk rijgen, zodat je ze niet meer ziet.
Mis je een term? Laat het ons weten, dan voegen we hem toe.